"De angst voor andere mensen" door Marius

Titel:  De angst voor andere mensen
Auteur:  Marius
Datum:  3 feb 2008
Revisie:  -
Gelezen:  4902

De angst voor andere mensen

Egypte anno 3250 v.C.
Ismaël tilt de bak klei op en zwaait die op zijn schouder. Dan begint hij de lange tocht van de kleiputten naar de bouwplaats, een weg die hij die dag al ettelijke keren heeft afgelegd. Het is bloedheet in de brandende zon en hij is moe en heeft dorst, maar hij durft geen watermeisje te roepen, omdat hij bang is dat een van de opzichters hem dan zal opmerken. Want hij weet dat hij die dag langzaam werkt. Té langzaam. Hij voelt zich erg ziek en schommelt soms op zijn benen, maar als een opzichter dat ziet, zal hij ongetwijfeld aangemoedigd worden door wat zweepslagen en dat kan Ismaël nu net niet hebben.
Ismaël is, evenals alle anderen om hem heen, Joods en hij werkt als dwangarbeider aan de laatste rustplaats van de Egyptische farao. Een farao die nu nog jong en gezond is, maar tegen de tijd dat het bouwsel af zal zijn, een oude grijze man zal zijn. Ismaël weet niet waarom juist hij, en alle anderen Joden hier op deze bouwplaats, dit onmenselijke werk moeten verrichten, maar hij weet wel dat dit niet het leven is dat hij had willen hebben.
Nu, met pijn in zijn schouders en rug, met de duizelingen in zijn hoofd en met zijn van dorst brandende tong, wenste hij dat hij ergens anders kon zijn. In een land waar hij met rust gelaten zou worden en hij zijn leven in vrede en geluk zou kunnen leiden.

Rome anno 312 n.C.
Samuel heft zijn hoofd op als hij voetstappen op de gang hoort. Om zich heen ziet hij andere gezichten gespannen naar de deur kijken, maar de voetstappen lopen hun cel voorbij en er gaat een kleine golf van verlichting door de groep mensen die hier, in de duisternis, wachten op het noodlot dat hen ongetwijfeld toch spoedig zal vinden.
Samuel kijkt om zich heen en ziet dat de anderen in de cel waarin hij zit, verder gaan met wat ze aan het doen waren. Enkelen zitten in een kring te bidden, de handen ineengeslagen, de ogen gesloten en de hoofden eerbiedig gebogen. Samuel zou zelf ook wel willen bidden, maar hij kan zich niet concentreren. Telkens als hij het probeert, dan is er weer iets wat hem doet opschrikken. Het gebrul van de leeuwen in de arena, het gejuig van het publiek, het wapengekletter van de gladiatoren of, zoals daarstraks, voetstappen op de gang.
Boven dit alles uit schreeuwt een vraag in zijn hoofd om antwoord: waarom? Waarom moet juist hem en zijn andere Christenbroeders en -zusters hier in deze cel dit overkomen? Hij heeft deze vraag al keer op keer aan God gesteld, maar hij krijgt maar geen antwoord. Samuel vreest dat hij binnen heel korte tijd de gelegenheid zal krijgen die vraag in persoon aan God te kunnen stellen, want het ziet er naar uit dat hij en zijn celgenoten spoedig het aardse voor het hemelse gaan verruilen. Dan zal hij inderdaad aan God gaan vragen, waarom dit moest gebeuren. Waarom hij niet gewoon een rustig leven kon leiden, in liefde en geluk omringd door zijn familie. Op deze manier te moeten sterven voor het bloeddorstige plezier van anderen is niet wat hij had verwacht van zijn leven.

Engeland anno 1483, de middeleeuwen
Het oude vrouwtje, in de buurt beter bekend als aunt (tante) Mary, schuifelt haar moestuintje door. Ze heeft haar blik naar beneden gericht en is op zoek naar dat ene kleine plantje wat haar kan helpen. Het jongste kindje van haar dochter heeft hevige koorts en aunt Mary heeft een kruidje in haar tuin dat daar het ideale medicijn voor is. Ze hoeft niet lang te zoeken en als ze het kleine plantje ziet staan, buigt ze door haar knieën, die heel even kraken, en begint ze het plantje uit te graven.
Terwijl aunt Mary in haar tuintje aan het zoeken en het graven is, vertrekt vanuit de gevangenis in het nabijgelegen dorp een delegatie van de kerk, bestaande uit een aantal zwaarbewapende soldaten, de burgemeester en een priester. Er zijn aan het adres van aunt Mary beschuldigingen geuit die ronduit ketters te noemen zijn. Ze zou magische krachten bezitten, omgang hebben met de duivel en godslastering plegen. Deze beschuldigingen zijn geuit door een jaloerse echtgenote die witheet van woede werd toen haar man afgelopen zondag in de kerk vriendelijk naar het oude vrouwtje had geglimlacht.
Wanneer aunt Mary de delegatie later die dag aan haar pad zal zien verschijnen, zal zij zich ongetwijfeld ook afvragen waarom ze niet gewoon met rust gelaten kan worden. Waarom ze niet haar eigen leven mag leiden zonder de zinloze beschuldigingen van anderen.

Nederland anno 1942, de Tweede Wereldoorlog
Schlomo houdt zich muisstil in zijn kleine benauwde schuilplaats onder de vloer. Boven zijn hoofd klossen grote soldatenlaarzen heen en weer. Hij is doodsbang en zijn hart klopt zo snel en luid in zijn eigen oren dat hij vreest dat de soldaten boven hem het zullen horen. Wanneer echter enkele minuten later de voetstappen verder weg klinken en uiteindelijk de deur uit gaan, durft hij een klein beetje opgelucht adem te halen. Ze zijn weg en hij is veilig... voorlopig.
Schlomo is 14 jaar en de enige van zijn familie die nog niet is gedeporteerd door de Duitsers. Toen ze zijn familie kwamen halen, was hij niet thuis. Een moedige buurvrouw heeft hem via-via geholpen om terecht te komen waar hij nu is: een boerderij aan de andere kant van het land, bij een gezin wat de schijn ophoudt produits te zijn, maar ondertussen een paar jongens zoals Schlomo in huis en op hun erf heeft verborgen.
Het duurt nog enkele ogenblikken, maar dan wordt het tapijtje boven zijn hoofd weggetrokken en de plank weggehaald, zodat hij zijn schuilplaats uit kan komen. Er is goed nieuws: geen van de jongens die de dappere familie verborgen houdt, is ontdekt. De Duitsers zijn onverrichterzake weer vertrokken. Schlomo krijgt een bemoedigende aai over zijn bol en de familie hervat het avondmaal, nu steenkoud geworden, maar niettemin wordt het tot de laatste kruimel verorberd.
Ondanks de ontspannen en gelaten sfeer vraagt Schlomo zich af of hij ooit weer op straat kan ravotten met zijn vrienden.

Irak anno 2007
Zehra loopt nietsvermoedend over een landweggetje. Ze is op weg naar huis. De afgelopen twee weken zijn heel spannend voor haar geweest. Ondanks een verbod van haar vader is ze naar het nabijgelegen stadje gegaan om haar grote liefde te ontmoeten. Ze hoopte dat als ze samen zouden trouwen, haar vader bij zou draaien en hun liefde wel zou accepteren. De vader van haar vriend raadde haar echter aan om terug naar huis te gaan en het op wat minder drastische wijze op te lossen met haar vader.
Dus nu loopt ze daar, in gedachten verzonken en een beetje bang voor de reactie van haar vader. Maar als ze een bocht uitkomt, nog een paar kilometer van haar woonplaats vandaan, ziet ze dat ze wordt opgewacht door honderden woedende mannen. Even staat ze oog in oog met deze menigte. Dan breekt de hel los en wordt ze met stenen bekogeld.
In haar laatste ogenblikken vraag Zehra zich af of reïncarnatie bestaat en als dat zo is, hoopt ze dat ze in een volgend leven betere kansen zal krijgen, of ze misschien dat leven in rust zou kunnen doorbrengen, want dit is niet het leven en zeker niet het einde wat zij had gewenst voor zichzelf.

Bovenstaande verhalen zijn maar enkele van de duizenden verhalen die ik zou kunnen schrijven over het onbegrip en de angst van mensen door de eeuwen heen. Al sinds mensenheugenis zijn mensen bang geweest voor mensen die anders waren of anders dachten dan zijzelf. Vaak leidde dat op grote schaal tot gruwelijkheden. Ook tegenwoordig hebben we te maken met die angst. Heb je een andere huidskleur, een andere seksuele voorkeur, een andere religieuze opvatting of onderscheid je je op een andere manier van de massa, dan ben je anders; dan wijk je af. Alsof we onder de oppervlakte ineens niet meer hetzelfde zijn. Alsof in ieders lichaam niet eenzelfde hart klopt, we niet allemaal moeten lachen, als we iets grappigs zien of horen en alsof we niet moeten huilen, als ons iets ergs overkomt.
Dat Ismaël ooit een klein Egyptisch jongetje van de verdrinkingsdood heeft gered is ineens niet belangrijk meer. Dat Samuel prachtige gedichten schrijft en misschien wel in zijn tijd een veelgelezen dichter had kunnen worden, doet er niet meer toe. Dat Zehra intelligent genoeg is om medicijnen te kunnen studeren en zodoende mensenlevens had kunnen redden, maakt niemand meer iets uit: ze zijn anders. Door hun geloof, door hun levenswijze of door hun geslacht.

Tegenwoordig zijn er meer "andere" mensen dan vroeger. Als je maar diep genoeg graaft, vind je bij iedereen wel iets wat "anders" is. Je kunt je dan ook afvragen of "anders" zijn nog wel zo "anders" is. Desondanks schijnt er een allesoverheersende moraal te zijn dat alles wat niet in bepaalde vastgestelde hokjes past, verkeerd is en afgestraft moet worden. Want hoe haal je het in je hoofd om tegen de massa in te gaan? Hoe haal je het in je hoofd om de arrogantie te hebben anders te leven dan de meerderheid? Hoe haal je het in je hoofd om te bepalen dat jijzelf wel weet wat goed voor je is?

Of komt die angst voor mensen die "anders" zijn ergens anders vandaan? Is het misschien een afleidingsmanoeuvre om de aandacht weg te halen van het gedeelte van onszelf wat "anders" is? Want zolang we andere mensen wegpesten, uitschelden, gevangen zetten, doodtrappen of uitmoorden, hoeven we niet naar onszelf te kijken, naar het gedeelte in ieder van ons wat "anders" is, hoeven we daar geen verantwoordelijkheid voor te nemen.

En ik denk dat die gedachte nog het meest beangstigend van alles is...

"You better brace yourself for a whole lotta ugly coming from a neverending parade of stupid."
(Hairspray - 2007)

Oftewel:

"Zet je schrap voor heel veel lelijks afkomstig van een oneindig lange optocht van stommiteit."

Marius

Ga naar...

[Volgende column] [Vorige column]